Ik sta er nog voordat de wereld echt wakker is. Het is mei, zo’n ochtend waarop de lente zich voorzichtig uitstrekt en alles nog ruikt naar nacht en stilte. De lucht is fris, maar niet meer scherp koud zoals in de winter. Er hangt iets zachts in, iets wat belooft dat de dag langzaam tot leven komt.
Langzaam zie ik hoe het licht op gang komt. De zon doet al haar best en stuurt dunne, gouden stralen tussen de bomen door. Hier en daar raakt het licht het mos, een varen, of een blad dat nog nat is van de dauw. Het glinstert even alsof de natuur zichzelf stilletjes viert.
Alles is rustig. Geen verkeer, geen stemmen, geen haast. Alleen het zacht gezoem van bijenvolken die af en aan vliegen, zoekend van bloem naar bloem, alsof ze precies weten wat ze moeten doen terwijl de rest van de wereld nog twijfelt tussen slapen en wakker worden. Dat zachte gezoem vult de stilte op een bijna geruststellende manier.
En dan hoor ik iets anders.
Vlakbij, heel onverwacht, klinkt er een vreemd maar vrolijk deuntje: dudeljoo… dudeljoo…
Ik blijf meteen stil staan. Mijn hoofd draait langzaam mee met het geluid. Heb ik dat echt gehoord? Het klinkt bijna als een fluit, maar warmer, voller, alsof het niet van één plek komt maar door de lucht zelf wordt gedragen.
Zou het dan echt… de wielewaal zijn?
Ik kijk omhoog, door de lagen van bladeren en takken heen. Het bladerdak is dicht, een wirwar van groen en licht, maar ik zoek verder. Eerst zie ik niets, alleen beweging van bladeren en de zachte trilling van de ochtendwind.
Tot ik hem zie.
Heel even maar—een flits van geel en zwart tussen het groen. De wielewaal. Moeilijk te vinden, nog moeilijker om lang vast te houden met je blik. Hij zit hoog in de boom, op een stevige tak, half verborgen alsof hij alleen wil laten horen dat hij er is, niet dat je hem echt kunt zien.
En dan begint hij opnieuw te zingen.
Zijn stem rolt door het bos, helder en warm, bijna tropisch van klank. Het is geen gewoon vogelgeluid meer, maar een soort natuurlijk concert dat precies past bij dit vroege uur. Alsof het bos zelf even ademhaalt in muziek.
Ik blijf staan en luister. Het gezoem van de bijen, het licht dat steeds sterker wordt, en die ene vogelstem die alles samenbindt tot één moment.
Misschien duurt het maar kort. Misschien verdwijnt hij zo weer tussen de bladeren, onzichtbaar zoals hij gekomen is.
Maar ik blijf nog even staan.
Omdat ik weet dat dit zo’n moment is dat je niet kunt vasthouden, alleen kunt meemaken. Een vroege meimorgen waarop alles zacht leeft—de zon, de bijen, en ergens hoog in de boom de zang van de wielewaal.

