In het veld waar gouden sterren staan,
waar zacht de lente is ontstaan,
dansen bijen in het licht,
met zonnewarmte op hun gezicht.
De paardebloem, zo fier en rond,
kleurt als een zon de groene grond,
haar honing roept het bijenvolk,
een zoete geur, een zachte lok.
Maar stilaan komt de tijd voorbij,
de bloem verandert, teer en vrij,
haar kroon wordt dons, zo licht als lucht,
en wacht geduldig op de zucht.
Dan blaast de wind, een fluistering,
en draagt haar zaadjes als een kring,
de pluizen zweven, zacht en klein,
op weg naar waar ze weer zullen zijn.
En met dat teken, oud en wijs,
verlaat het volk zijn honingpaleis,
de bijen volgen zon en geur,
naar nieuwe bloemen, nieuw avontuur.
Zo reist het leven, stil en fijn,
van bloem tot bloem, van lijn tot lijn,
waar paardebloemen verder gaan,
zal ook het bijenvolk weer bestaan.

